<                                    nieuwsbrief zelfvoorziening
---------------------------------------------------------------------------------
15a


uit Inleiding bij de herdruk van H.P.G. Quack, De socialisten, personen en stel-
sels , Baarn 1977, Arthur Lehning.
-------------------------------------------------

Het woord ‘socialist’ is overigens in de loop van de tijd nogal eens van betekenis
veranderd.

Het komt voor het eerst voor in 1827 en had toen betrekking op de aanhangers
van de coöperatieve ideeën van Robert Owen. Het woord ‘socialisme’ treft men
voor het eerst in 1832 aan, in het door Pierre Leroux geredigeerde blad "Le Globe"
, ter aanduiding van de leer van Saint-Simon.

Spoedig werd ‘socialisten’ de algemeen gebruikte term voor Owenisten, Fourieris-
ten, Saint-Simonisten, die zich bij al hun verschillen allen keerden tegen het eco-
nomsiche beginsel van het laisser faire en streefden naar een maatschappelijk
systeem waarin de bestaande economische en politieke orde vervangen moest
worden door een systeem van sociale samenwerking, en waarin de nationale sta-
ten zouden plaats maken voor grote productieve associaties (volgens de Saint-
Simonisten) of voor een netwerk van plaatselijke, nationale en internationale com-
muniteiten, in het belang van de vrede en een redelijke verdeling van de rijkdom,
met het oog op het welzijn van allen.

In de jaren 1840 begonnen volgelingen van Cabet en aanhangers van de theorie
van Babeuf zich communisten te noemen. Marx en Engels namen dit woord over
bij de stichting van de ‘Kommunistenbund’ en in het "Communistisch Manifest"
dat zij hiervoor in 1847 ontwierpen. Het woordt ‘communist’ had een meer revolu-
tionaire connotatie dan de term ‘socialist’; het onderstreepte het beginsel van de
gemeenschappelijke eigendom en was met de idee van de klassenstrijd verbon-
den.

Twintig jaar later, ten tijde van de Eerste Internationale, zouden de voorstanders
van socialisatie van de productiemiddelen door associaties van producenten (en
niet door de staat) zich ‘collectivisten’ noemen, een naam die in de jaren tachtig
voor de eerste marxistische partij in Frankrijk werd gebruikt.

De aanhangers van Bakoenin, in casu Kropotkin en zijn geestverwanten, begon-
nen zich in die tijd ‘anarcho-communisten’ te noemen.

Voor marxisten werd de term ‘sociaal-democraat’ gebruikelijk, terwijl de Russiche
revolutionaire sociaal-democraten zich na de Russische Revolutie weer met het
woord ‘communisten’ zouden aanduiden.
----------------------------------------------------------                                              ^

Inleiding bij de herdruk van H.P.G. Quack, De socialisten, personen en stelsels,
Baarn 1977, Arthur Lehning
.
----------------------------------------
"Mr. H.P.G. Quack. Die naam zal blijven voortleven in de geestelijke geschiedenis
van ons land, als al de grootheden van de dag allang reeds zijn vergeten. Niet
echter als directeur van de Nederlandsche Bank, niet als medebestuurder van de
Staatspoorwegmaatschappij, niet als president-commissaris der Handelmaat-
schappij, niet als commissaris der Koninklijke Stroomvaartmaatschappij, niet
zelfs als hoogleraar. Maar als schrijver van het standaardwerk: "De Socialisten"
‘Personen en stelsels’."
Aldus Ferdinand Domela Nieuwenhuis in een bespreking van Quacks
"Herinneringen", in zijn "Vrije Socialist" van 13 december 1913.
In het inleidend woord bij zijn "Herinneringen" heeft Quack geschreven dat deze
als het ware de persoonlijke inleiding vormen tot "De Socialisten", naast de zake-
lijke die voorafgaat aan zijn grote werk. Wel bezien, vervolgt hij, is dit  zelfs de
grootste, misschien de enige verontschuldiging voor het schrijven van deze auto-
biografie. Het verloop van de eerste helft van zijn leven moest verklaren hoe en
waarom hij "De Socialisten" had geschreven.
Na het gymnasium in Amsterdam bezocht te hebben, studeerde de in 1834 gebo-
ren Quack van 1853 tot 1859 rechten aan het hoofdstedelijk Athenaeum Illustre.
De beide (en enige) hoogleraren in deze faculteit, Jeronimo de Bosch Kemper en
Martinus des Amorie van der Hoeven hebben zijn intellectuele ontwikkeling beslis- send beïnvloed, en vooral de laatste heeft een blijvend stempel op Quacks gedach-
tenwereld gedrukt: de opvatting dat het sociale vraagstuk niet in de eerste plaats
een zaak was van economie, maar van aan het christendom ontleende zedelijke
normen. Socialisme zou voor Quack steeds blijven betekenen de toepassing van
de ‘christelijke broederschap’ op het maatschappelijk leven.
Evenals Des Amorie van der Hoeven was De Bosch Kemper een tegenstander van
het liberale individualisme en wees hij op de noodzaak de bestudering van de eco-
nomie uit te breiden tot een studie van de gehele maatschappij – een opvatting die
hij zelf in zijn grote werk "De wetenschap der samenleving", het eerste Nederland-
se sociologische geschrift, heeft ontwikkeld.
Aan Des Amorie van der Hoeven zou Quack later een omvangrijke studie wijden,
terwijl hij zijn levenswerk aan De Bosch Kemper heeft opgedragen.
Na in Utrecht gepromoveerd te zijn op een dissertatie over het staatswezen in de
veertiende eeuw (Het Athenaeum had nog niet de universitaire bevoegdheid acade-
mische graden te verlenen), werkte Quack aanvankelijk op de Provinciale Griffie te
Haarlem en vervolgens, van 1861 tot 1863, als secretaris van de Kamer van Koop-
handel en Fabrieken te Amsterdam, om daarna een functie te bekleden als secre-
taris van de zojuist opgerichte particuliere Maatschappij tot Exploitatie van de
Staatsspoorwegen. In deze functie riep hij een pensioenfonds in het leven dat door
de arbeiders werd beheerd – een novum voor die tijd - en het was een grote teleur-
stelling voor hem dat de regering, toen zij in 1912 de spoorwegen nationaliseerde,
deze ‘medezeggenschap’ aan de arbeiders ontnam.
In 1868 aanvaardde de toen tweeëndertigjarige Quack aan de universiteit van
Utrecht een hoogleraarschap in de staathuishoudkunde, een vak dat toentertijd
zowel de politiek als de economie, de statistiek en de economische geschiedenis
bestreek – het was zijn taak, zo luidde de opdracht, ‘de economische gang van
de maatschappij te doceren’.
Na reeds in Haarlem journalistiek werkzaam te zijn geweest, begon hij nu ook
voor de "Nieuwe Rotterdamsche Courant" een geregelde rubriek te verzorgen over
de buitenlandse politiek.
Sinds 1860 was hij ook medewerker van "De Gids" en met zijn vriend Busken
Huet trad hij in 1863 op verzoek van Potgieter tot de redactie toe, waarvan hij tot
1894 lid zou blijven.
Vele van zijn in "De Gids" gepubliceerde studiën zijn later al of niet uitgebreid in
"De Socialisten" opgenomen of in zijn vier bundels "Studies" herdrukt.
Omgekeerd heeft hij een aantal van de in zijn hoofdwerk behandelde personen en
thema’s soms weer in afzonderlijke artikelen uitgewerkt.

"Staat en maatchappij" was de titel van zijn Utrechtse intreerede, een onderwerp
dat reeds tijdens zijn studie zijn bijzondere belangstelling had gewekt. Zijn opvat-
ting hierover zou ten grondslag liggen aan de sociale ideeën die hij later ontwikkel-
de en concretiseerde.
Niet de staat maar de maatschappij moest primair worden gesteld, zo meende hij.
Quack wees het liberale standpunt van de ‘nachtwakersstaat’ evenzeer af als de
idee dat de staat aan de maatschappij zedelijke normen moest opleggen. De
staat moest de uitdrukking zijn van een werkelijke gemeenschap van het maat-
schappelijke leven.
Wat Quack wilde, was, naar hij schreef, een brug slaan tussen ‘de economie en
het socialisme’.
Hij was een zeer liberaal man, maar waarom werd hij met zijn sociale opvattingen
toch geen radicale liberaal ?
Het antwoord is duidelijk. Hij was tegenstander van de economische theorie en
praktijk van de vrije concurrentie, van het ‘Manchester-liberalisme’ dat zijns inziens
neerkwam op een vrijheid van de rijken, van de monopolisten: het bijeenbrengen
van grote massa’s kapitaal onder gemeenschappelijk toezicht van enkelen.
Het was in feite een monopolie, de vestiging van de machtigste onderdrukking die
ooit in de wereld had bestaan, een financiële feodaliteit. Vrijheid, schreef Quack,
betekent niet veel voor hen die geen middelen hebben om van de vrijheid gebruik
te maken.
De liberale vrijheid van het individu betekende in feite egoïsme van de plutocratie.
In theorie verbood deze economische opvatting staatsinmenging, maar men vergat
, aldus Quack, dat er voortdurend staatsinmenging plaatsvond ten gunste van hen
die uit de productie of de handel voordeel trokken. Zolang het proces van de arbeid
duurde, hield de staat zich, naar de voorschriften der economie, afzijdig; maar
wanneer dit proces was afgelopen en het onevenredig grote aandeel in de beurs
aan de winnende hand was gekomen, greep de staat in door de bezitter in zijn
bezit te verdedigen tegen de niet-bezitter.
Ook hier verloochende het plutocratische karakter van de economie zich niet.
De productie zou niet volgens het winstbeginsel van de liberale economie georga-
niseerd moeten zijn, maar geregeld moeten worden in het belang van de gemeen-
schap. Samenwerking van werknemers en werkgevers, niet zonder hiërarchisch
verband, en een regelende, ordende functie van de staat zouden een betere weg
vormen om een socialistische maatschappij te realiseren dan de door de sociaal-
democratie gepredikte klassenstrijd.
Saint-Simonistische ideeën waren aan deze opvatting niet vreemd, en men zou
Quack waarschijnlijk het best een kathedersocialist kunnen noemen. Het is niet
te verwonderen dat bij zijn bestudering van de geschiedenis van de socialistische
ideeën zijn belangstelling speciaal uitgaat naar de ideeën over associatie van de
vroege Engelse en Franse socialisten, naar Karl Marlo’s 'bedrijfsgenootschappen’
(een soor productieorganisaties), en naar katholieke schrijvers als Albert de Mun.

Men heeft wel eens van de gespletenheid van Quacks persoonlijkheid gesproken
en een onverenigbare tegenstelling geconstrueerd tussen zijn sociale opvattingen
en de vooraanstaande functies die hij in de handels- en bankierswereld van het
Nederlandse kapitalisme uit zijn tijd vervulde.
Deze gespletenheid heeft Saks willen verklaren met wat mij een wat primitieve
psychologie lijkt: uit zijn familie-omstandigheden, zoals Quack ze in de aanhef
van zijn "Herinneringen" heeft geschetst - "Ik stam van een verarmde familie uit
Nijmegen in Gelderland."                                                                                 
Het betoog van Saks lijkt mij weinig overtuigend en schraagt de mening van zijn
biograaf, die heeft opgemerkt dat Saks’ filosofie in zijn stijlbesef wortelt en daarom
soms ‘meer treffend dan overtuigend is’.
1
Enkele jaren tevoren, in 1913, had Domela Nieuwenhuis overigens een zelfde kri-
tiek geuit. Het spookbeeld van de armoede zou invloed hebben gehad op de rich-
ting die Quack was ingeslagen. Hij bezat, meende Domela, geen durf genoeg voor
een man van de daad; was dat wel het geval geweest, dan zou hij 'ongetwijfeld on-
ze Lassalle zijn geworden’.
Wat Domela bedoelde, was dat Quack dit eigenlijk had moeten worden.
"Kunt Gij u Quack voorstellen," schreef hij, "in de armelijke woning van de arbeider
om met hem zijn eenvoudige stuk brood op te eten op een ongedekte tafel ? Kunt
Gij u Quack voorstellen zittende op een hondekar, ten einde gebracht te worden in
een lage herberg, waar de atmosfeer is bezwangerd met vuile tabaksgeur en waar
het vol zit met werklui in hun werkpak?"
Het antwoord moet zonder twijfel luiden: neen.
Quack was nu eenmaal geen Domela Nieuwenhuis.
Twee dagen na Domela’s hierboven geciteerde bespreking van zijn "Herinneringen"
schreef Quack hem in een particuliere brief: "Ik had niet die volle kracht, die forse
greep, die Gij mij wilde veronderstellen."                                                           
En wat geresigneerd en ontwapenend vervolgt hij: "Neem mij – bid ik U - voor wat
ik was. Niet meer, niet minder."
Vier jaar voordien had hij de auteur van "Van Christen tot Anarchist" in verband
met een dergelijke kritiek trouwens al geschreven: "Ik ben wie ik ben."
2
Overigens was Lassalle, op weelderige voet levend in luxueuze appartemenen,
vriend van de gravin Von Hartzfeld, Lassalle die in rok en met glacéhandschoenen
grote arbeidersmassa’s elektriseerde en de eerste grote socialistische arbeiders-
organisatie in Duitsland in het leven riep, ook niet bepaald iemand die men zich
op een hondekar kan voorstellen.
Hij kwam wel, gelijk Domela, in de gevangenis – en dit is nu weer geen plaats
waar men zich Quack kan voorstellen.
De ‘kathedersocialistische’ opvattingen van Quack behoeft men geenszins te ver-
klaren met zijn maatschappelijke functies of zijn zich thuis voelen in het Amster-
damse patriciërsmilieu: de verklaring is te vinden in zijn intellectuele biografie.
Van de eerste invloeden tijdens zijn academische studie tot het laatste hoofdstuk
van zijn "Socialisten" is juist een opmerkelijke continuïteit te constateren.
Quack was een zeer harmonische figuur, die zelf in het geheel geen tegenstelling
heeft gezien tussen zijn kritiek op de liberale en plutocratische economie en zijn
maatschappelijke functies.
Ook een Friedrich Engels speelde in Manchester een belangrijke rol in de ontwik-
keling van de ‘productiefactoren’ - om in de terminologie van Quack te spreken -
maar dit verhinderde hem niet een onthullend beeld te geven van de toestand van
de arbeidende klasse in het Engeland van zijn dagen. En zoals Quack zijn onaf-
hankelijke financiële positie gebruikte om de bronnen te verzamelen voor het
schrijven van "De Socialisten", zo maakte de financiële steun van Engels het Marx
mogelijk in het Brits Museum de bronnen te bestuderen voor zijn analyse van het
kapitalistische productieproces en het schrijven van zijn grote werk, dat Bakoenin
(die een Russische vertaling ervan begon) zijn ‘economisch metafysiek’ zou noe-
men, en dat Quack als ‘talmudisch’ heeft gekarakteriseerd.
Wat men Quack scheen te verwijten, was dat hij geen marxistische, subsidiair
sociaal-democratische conclusies trok.
Maar dat was nu eenmaal zijn opvatting niet.
Hij had bezwaren tegen de klassenstrijd. En ofschoon hij op een zeer objectieve
en briljante wijze de essentie van de leer van Marx heeft uiteengezet, heeft hij te-
gelijk zeer scherp de zwakte, om niet te zeggen de drogreden van deze leer als
‘socialistisch’ systeem erkend en geformuleerd.
Hij betwijfelde de absolute juistheid van de ontwikkelingswetten van de kapitalisti-
sche maatschappij die Marx had ontdekt – schijnbaar langs inductieve weg ver-
kregen, maar ‘in de grond van de zaak aprioristisch gesteld’ - en hiermee stond dit
socialisme dat dialectisch aan deze wetmatige ontwikkeling verbonden was, op
losse schroeven.

In 1877 legde Quack zijn Utrechtse professoraat neer om een functie te aanvaar-
den als secretaris van de Nederlandsche Bank. Een van de redenen hiervoor was -
zoals hij in zijn memoires vermeldt - dat hij hierdoor een meer onafhankelijke eco-
nomische positie verkreeg en een grotere financiële armslag om de boeken te ver-
werven die hij voor het schrijven van zijn levenswerk nodig had.

In de "Herinneringen" vertelt hij iets over de wijze waarop dit in zijn werk is gegaan:
"Gedurende zeven of bijna acht jaren, waarin ik het drukke ambt van secretaris der
Nederlandsche Bank heb waargenomen, heb ik in mijn vrije tijd meestal rondge-
zien, gespeurd en gesnuffeld, om de oorspronkelijke geschriften der socialisten
van het verleden te vinden. De zogenaamde ‘Antiquar’-catalogussen gaven in die
dagen nog slechts spaarzaam aanbiedingen van oude socialistische werken. Om
de boeken, boekjes, kranten, vlugschriften en pamfletten der Franse Saint-
Simonisten, Fourieristen en Communisten te vinden, moest men zelf op pad gaan.
Eéns in ’t jaar kreeg ik des zomers een maand verlof; welnu, ik toog op reis,
vooral naar Frankrijks hoofdstad.
"Die in de warme zomermaanden der jaren 1880-1885 langs de linkeroever van de
Seine te Parijs in de morgenuren heeft gedrenteld, kan mij hebben opgemerkt,
turend en tastend in de bakken met oude boeken, welke de ‘bouquinistes’ in hun
stalletjes daar aan het publiek voorzetten. Het is ’s ochtends nog zo stil op de
Seine-kaai. De voorbijgangers zijn te tellen. Het paard van de ter zijde staande
‘fiacre’ slaapt. De koetsier is verdiept in zijn krant. Slechts de vlugge mussen strij-
ken neder, tjilpen, krieuwen en vliegen weg bij elk geluid of suizing van het loof der
bomen. Maar ik let niet op de fijngetinte omgeving, enkel de oude, min of meer
wormstekige en vermolmde bakken met boeken lokken mij! Hoe zijn die boeken
vervuild, en die brochures gehavend! Wie met wat verbeelding de bakken bevoelt,
om hier en daar iets wat hem aantrekt te vinden, kan een kleine wereld van aan-
doeningen zien opdagen, als hij let op de titels der geschriften en de namen der
bekende en vooral der onbekende auteurs. Daar in die bakken is de laatste rust-
plaats der poëzie, der filosofie, der sociologie, der utopie, der beschreven wonder-
baarlijke ontdekkingen en uitvindingen, der ‘mémoires’, der romans, der dagboe-
ken, der op rijm gestelde zuchten of verwensingen, der gedichten of verdichte ver-
smachtingen naar liefde, der gedrukte comedies van de ijdelheid! Men gaat onge-
merkt mijmeren als men de titels leest... Ondertussen glijden al die overblijfselen
van boeken door uw vingers – todat opeens een titelopgaaf u als een blijde verras-
sing toewenkt. Gij grijpt haastig het oude geschrift, waarvoor de boekenkoopman,
die uw zenuwachtig zoeken met loze blik had gevolg, u een iets hoger prijs vraagt
dan hij gewoon of van plan was te vragen. Gij slaat toe en vliegt naar huis, naar
uw hotel, met zo grote vreugde, alsof gij een kunstbol kleinood van een of andere
Cellini had verkregen..."
"Dat zoeken naar verborgen en verholen boeken heeft een eigenaardige bekoring.
Het wordt een kleine hartstocht. Soms wordt de zucht naar het vinden zo groot,
dat men haast het doel, de inhoud van ’t geschrift minder acht of vergeet."
Quack beschrijft dan een tocht naar de omgeving van Bordeaux, op zoek naar het
Franse fourieristische dagblad "La Démocratie pacifique":
"Men had mij medegedeeld, dat een behoeftige boer bij Bergerac een volledige
collectie der jaargangen van dat blad bezat, en misschien wel bereid was zijn be-
zit van de hand te doen. Ik toog dus derwaarts en reed vanuit Bordeaux naar het
huisje van de arbeider. Hij bleek een oud man te zijn. Eenvoudig maar met beslis-
te trek in ’t gelaat. Ik deelde hem de aanleiding van mijn bezoek mede, legde het
bankbiljet van duizend francs - de prijs die men mij als eis van de boer had ge-
noemd – op tafel. Armelijk was het huisraad en sober de inrichting, schamel de
kleding. Duizend francs was een grote schat voor de bewoner van dat lage vertrek.
Doch hij aarzelde de koop te sluiten. Die jaargangen, op een rek neergelegd, be-
vatten de nummers, die, toen zij dagelijks verschenen, zijn geestdrift en hoop had-
den gevoed: als boeken saamgebonden waren zij zijn bijbel geworden, waarin hij
na de dagelijkse arbeid elke avond stil mijmerend had gelezen. Hij zei mij zich te
moeten beraden. Hij wilde nog niet afstand doen van de documenten van zijn ge-
loof. Het was een deel van zijn hart. De volgende dag zou ik antwoord bekomen.
Dat antwoord luidde afwijzend. Hij nam de duizend francs niet aan.
3

Nog tijdens zijn professoraat in Utrecht was Quack begonnen in een zogenaamd
vrij college de geschiedenis van de socialistische theorieën te behandelen. Deze
colleges vormden de grondslag voor zijn grote werk, waarvan het eerste deel in
1877 verscheen.
4
In 1885 zou Quack de functie van secretaris verwisselen voor het lidmaatschap
van de directie van de Nederlandsche Bank, hetgeen hem de gelegenheid gaf om
zich meer aan zijn studies te wijden. In hetzelfde jaar werd hij ook benoemd tot
buitengewoon hoogleraar in de staathuishoudkunde aan de universiteit van Am-
sterdam.

Toen Quack in 1897 "De Socialisten" voltooid had, begon hij met een speciale
studie over ‘een groep vergeten figuren uit het Engeland der vorige eeuw'.
In de eerste druk van het vierde deel had hij reeds enkele bladzijden aan deze
groep gewijd. Sindsdien had hij de uiterste moeite gedaan om de geschriften op te
sporen van schrijvers als Charles Hall, John Russell, Piercy Ravenstone, Thomas
Hodgskin, William Thompson, Charles en John Francis Bray, John Gray en John
Minter Morgan.
In 1901 voltooide hij zijn studie over William Thompson en in de volgende jaren de
overige studies, die in 1904 oorspronkelijk als een afzonderlijk deel zouden ver-
schijnen onder de titel "De Socialisten" ‘Personen en stelsels’ 'Vergeten figuren
uit het Engeland der vorige eeuw."
5
In een enigszins veranderde versie vormden zij in 1912 het tiende hoofdstuk van
de derde druk van deel 4, onder de titel "De Engelse schrijvers tegen de zich vesti-
gende plutocratie."Men heeft een aantal van deze Engelse schrijvers als John
Francis Bray, Thomas Hodgskin, William Thompson, ook wel ‘ricardiaanse socia-
listen’ genoemd, omdat aan hun socialistische theorieën een economisch argu-
ment ten grondslag lag, namelijk de waardeleer van Ricardo.
Diens "Principles of political economy and taxation" waren in 1817 verschenen,
maar de verbreiding van Ricardo’s theorie was vooral te danken aan zijn volgeling-
en, de economen James Mill en McCulloch.
Evenals de grote Franse socialisten keerden de ‘Engelse schrijvers tegen de plu-
tocratie’ uit de jaren 1830 en 1840 zich tegen het particuliere eigendom en de vrije
concurrentie, maar zij gingen daarbij uit van een analyse van de economische ver-
schijnselen en benadrukten de invloed van de economische factoren op het karak-
ter van de maatschappij en de sociale ontwikkeling. In die zin kan met de Engelse
theoretici als de eerste ‘wetenschappelijke socialisten’ beschouwen.
Marx, wiens waardeleer evenzeer op die van de ‘klassieke economen’ was geba-
seerd heeft verschillende van deze ricardiaanse socialisten bestudeerd en bijvoor-
beeld van de hoofdwerken van John Francis Bray en William Thompson respectie-
velijk 146 en 81 excerpten gemaakt.
Al deze schrijvers waren zo goed als vergeten tot Anton Menger er in 1886 in zijn
werk "Das Recht auf den vollen Arbeitsertrag" de aandacht op vestigde en H.S.
Foxwell er in de inleiding tot de in 1899 verschenen Engelse vertaling de eerste
studie aan wijdde.
Toch hadden enkelen onder hen, zoals Thompson die ook opkwam voor de gelijk-
heid van de vrouw en voor geboortenbeperking, een grote invloed uitgeoefend op
de owenistische coöperatieve beweging.
Allen waren zij van mening dat het socialisme op vredelievende wijze zowel door
opvoeding als door coöperatie tot stand gebracht zou kunnen worden.
In dit opzicht verschilden zij dus duidelijk van het ‘wetenschappelijk socialisme’
van Marx en Engels.
Deze uitdrukking voor de marxistische leer is algemeen gangbaar geworden sinds
Engels een hoofdstuk uit zijn "Anti-Dühring" de titel "Van utopie tot wetenschap"
meegaf, maar twintig jaar voor het verschijnen van "Das Kapital" hadden Marx en
Engels het verschil tussen hun systeem en wat zij de ‘utopische socialisten’
noemden, reeds geformuleerd. Niet dat schrijvers als Owen, Fourier of Saint-
Simon de maatschappij van hun dagen niet kritisch hadden ontleed, daar op ver-
schillende manieren socialistische conclusies aan hadden verbonden en soms
een ideale maatschappij hadden ontworpen, maar zij hadden in de ogen van Marx
en Engels niet begrepen dat het socialisme niet een zaak is van morele beginse-
len maar van het ontwikkelingsproces van de kapitalistische maatschappij (zoals
Marx het in 1847 in een beroemde passus zou formuleren).
"Zolang de strijd van het proletariaat met de bourgeoisie nog geen politiek karakter
heeft," schreef Marx in dat jaar, zolang de productiekrachten nog niet voldoende
ontwikkeld zijn om de materiële condities te vormen voor een bevrijding van het
proletariaat en de formatie van een nieuwe maatschappij, zijn deze theoretici
slechts utopisten, die voor de onderdrukte klassen systemen improviseren."
Marx vatte zijn socialistische theorie op als een leer van een wetmatig dialectisch
ontwikkelingsproces. In de loop van twintig jaar, van 1847 tot 1867, zou hij de eco-
nomische structuur en ontwikkeling van het kapitalisme bestuderen en op grond
van zijn analyse een aantal wetten vaststellen, die de grondslag zouden vormen
voor zijn theorie. Met de immanente tegenstellingen gingen correlate bewegingen
gepaard: onvermijdelijk crises en de klassenstrijd van het proletariaat.
In het verloop van dit proces zou de emancipatie van het proletariaat tot stand ko-
men door de onteigening van de particuliere productiemiddelen door de staat, met
als gevolg dat de klassentegenstellingen zouden verdwijnen en de staat, de politie-
ke uitdrukking van de klassentegenstellingen, zou afsterven.
Het ‘wetenschappelijk socialisme’ van Marx bestond echter niet uitsluitend in het
feit dat hij zijn socialisme baseerde op de analyse van de kapitalistische econo-
mie van zijn dagen, maar ook daarin dat hij de verschillende wetten die hij had ont-
dekt niet alleen verabsoluteerde om ze voor de gehele geschiedenis te laten gel-
den, maar ook om zo te zeggen voor de toekomst – dat wil zeggen, dat op grond
van deze wetten de economische ontwikkeling tot het socialisme zou leiden.

Om kort te gaan, aan de leer van Marx lag een empirisch dialectisme ten grond-
slag. De wetten die hij had ontdekt, bleken echter niet zo wetmatig te zijn als na-
tuurwetten, en de in schijn zeer realistische theorie was in feite zeer utopisch, om-
dat de weten – zelfs voor zover ze al of niet gemodifieerd nog zouden kunnen gel-
den - tot geheel andere resultaten hebben geleid dan Marx had voorspeld. En juist
deze voorspelling was een essentieel element van het 'wetenschappelijk socialis-
me’.
Het zou daarentegen onjuist zijn om aan de als utopisten gekarakteriseerde socia
listen, die men nu langzamerhand de ‘grote socialisten’ begint te noemen, een re-
alistische kritiek op de maatschappij van hun tijd te ontzeggen.
Zeker voor de genoemde Engelse theoretici is zo’n standpunt onhoudbaar.
En een tegenstelling tussen de utopische systeembouwers en een revolutionaire
beweging is al evenmin te handhaven.
Babeuf en Weitling bijvoorbeeld hadden zeer uitvoerige blauwdrukken voor een
nieuwe maatschappij ontworpen en poogden die door revolutionaire acties te
verwezenlijken.
Toen Quack zijn hoofdstuk over Marx schreef, was er in het Nederlands nog vrijwel
niets over hem en zijn leer verschenen. Bijna een derde van de vijfde band van "De
Socialisten" is aan de economische en socialistische theorie van Marx gewijd,
terwijl de vroegere ontwikkeling, zijn activiteiten in de geheime 'Kommunistenbund’
en het "Communistisch Manifest", reeds eerder zijn behandeld.
Het is de eerste uitvoerige, in het Nederlands verschenen uiteenzetting over de e-
conomische theorieën van de schrijver van "Het Kapitaal" en zijn historisch-materi-
alistische geschiedenisfilosofie.
Ondanks de lawine van publicaties over Marx en de uitgave van verschillende van
zijn geschriften die toen nog niet bekend waren, is dit hoofdstuk vandaag nog een
uitzonderlijke instructieve en overzichtelijke uiteenzetting van - om de term van
een Engels socialistisch historicus te gebruiken - "what Marx really meant".

Tien jaar nadat Quack met zijn studie over "De Socialisten" was begonnen, kon
Anton Menger schrijven dat de historische studie van het socialisme de Duitse
wetenschap van het socialisme geen eer aandeed. Er waren enkele historische
onderzoeken geweest, als Reybaud, Lorenz von Stein en Marlo, wier beschrij-
vingen van socialistische systemen, hoe incompleet ook, op historische bronnen
waren gebaseerd - maar de moderne historici van het socialisme, vervolgt Menger,
zijn tevreden met uittreksels of met het eenvoudig kopiëren van deze schrijvers,
zonder te rade te gaan bij de oorspronkelijke werken van de Engelse of Franse
socialisten, waarin men toch het begin vindt van de moderne sociale beweging.
Het gevolg van deze oppervlakkige historische benadering - het negeren van alle
regels van historisch onderzoek - is een voortdurende toename aan dood gewicht,
aan vergissingen en misinterpretaties, die in de geschiedenis van het socialisme
worden voortgesleept doordat tal van werken, ook al dragen ze de naam van grote
wetenschappers, de indruk geven van een karikatuur van het onderwerp dat ze
behandelen.
Mutatis mutandis geldt dit honderd jaar later nóg.
Men kan zich met recht afvragen in welke andere tak van wetenschap behalve de
maatschappijwetenschappen het mogelijk zou zijn dat allerlei uiteenzettingen
worden gepresenteerd met de pretentie van feitelijkheid, terwijl de ‘feiten’ waarop
zij zich baseren sinds tientallen jaren onomstotelijk zijn weerlegd.
In de sociale geschiedenis zijn hiervan talrijke voorbeelden te vinden.
6
Voor Quack gaat dit alles niet op.
Bij de soms wat gedragen, bloemrijke maar nooit retorische, enigszins ouderwets
aandoende stijl
7 is het opmerkelijk dat aan de exactheid van zijn beschrijving
nooit afbreuk wordt gedaan. Zijn literaire uitweidingen, die op het eerste gezicht
wat vreemd aandoen in zulk een wetenschappelijk werk van grote eruditie, geven
echter niet alleen uiting aan de gemoedsgesteldheid van de schrijver: in de be-
schrijving van Quacks wandeling van Utrecht naar de Hernhutergemeente in Zeist
bijvoorbeeld, dienen zij mede om de sfeer van deze communautaire kerkgemeen-
schap aan te geven.
Men kan zo’n werk niet te gehaast lezen, en dat niet alleen vanwege de omvang.
Het is ermee als met de "Zauberberg" van Thomas Mann, of met een roman van
Proust: de stijl en het ritme laten het niet toe. "De Socialisten’ is ook geen ency-
clopedie waarin men zich snel kan oriënteren omtrent data en gegevens - al kan
men die er natuurlijk wel in vinden.
Wie met gestencilde resumés van een werk over een socialistisch systeem ge-
noegen neemt, zal geen belangstelling hebben voor een minutieuze beschrijving
van deze theorieën, die zich steeds op de bronnen baseert. Dit werk, met zijn uit-
gesproken persoonlijke stijl, kan niet worden bekort, samengevat of 'bewerkt’, het
kan hoogstens worden aangevuld met een overzicht van de literatuur die sindsdien
is verschenen.
7
De geweldige omvang ervan - niet alleen fysiek maar vooral ook inhoudelijk -
maakt het tevens onmogelijk de feitelijke onjuistheden te corrigeren die een boek
dat in het laatste kwart van de vorige eeuw werd geschreven, onvermijdelijk bevat;
onjuistheden die overigens voornamelijk het gevolg zijn van de omstandigheid dat
latere onderzoekingen nieuwe gegevens aan het licht hebben gebracht.
8
Men heeft wel bezwaren geuit tegen het feit dat Quack de theorieën die hij be-
schrijft, niet of nauwelijks bekritiseert; ook is kritiek geoefend op de geringe aan-
dacht die hij besteedt aan de sociale, respectievelijk socialistische beweging.
Maar noch het een noch het ander lag in Quacks bedoeling. Hij wilde in de eerste
plaats ‘een volledig boek’ schrijven over de socialisten, hun leven en hun stelsels,
een objectieve uiteenzetting, waarvan de titel de inhoud precies dekt. Hij schreef
de ideeëngeschiedenis van het socialisme door de eeuwen heen en besteedde
bijzondere aandacht aan ontwikkeling en karakter van de personen wier theorieën
hij behandelt. De studies die hij aan een reeks historische figuren en tijdgenoten
heeft gewijd, zijn een bewijs voor zijn grote talent op dit gebied en vormen een
blijvende bijdrage aan de Nederlandse cultuurgeschiedenis.

Het woord ‘socialist’ is overigens in de loop van de tijd nogal eens van
betekenis veranderd.
Het komt voor het eerst voor in 1827 en had toen betrekking op de aanhangers van
de coöperatieve ideeën van Robert Owen. Het woord ‘socialisme’ treft men voor
het eerst in 1832 aan, in het door Pierre Leroux geredigeerde blad "Le Globe", ter
aanduiding van de leer van Saint-Simon.
Spoedig werd ‘socialisten’ de algemeen gebruikte term voor Owenisten, Fourieris-
ten, Saint-Simonisten, die zich bij al hun verschillen allen keerden tegen het eco-
nomische beginsel van het laisser faire en streefden naar een maatschappelijk
systeem waarin de bestaande economische en politieke orde vervangen moest
worden door een systeem van sociale samenwerking, en waarin de nationale sta-
ten zouden plaats maken voor grote productieve associaties (volgens de Saint-
Simonisten) of voor een netwerk van plaatselijke, nationale en internationale com-
muniteiten, in het belang van de vrede en een redelijke verdeling van de rijkdom,
met het oog op het welzijn van allen.
In de jaren 1840 begonnen volgelingen van Cabet en aanhangers van de theorie
van Babeuf zich communisten te noemen. Marx en Engels namen dit woord over
bij de stichting van de ‘Kommunistenbund’ en in het "Communistisch Manifest"
dat zij hiervoor in 1847 ontwierpen. Het woordt ‘communist’ had een meer
revolutionaire connotatie dan de term ‘socialist’; het onderstreepte het beginsel
van de gemeenschappelijke eigendom en was met de idee van de klassenstrijd
verbonden.
Twintig jaar later, ten tijde van de Eerste Internationale, zouden de voorstanders
van socialisatie van de productiemiddelen door associaties van producenten (en
niet door de staat) zich ‘collectivisten’ noemen, een naam die in de jaren tachtig
voor de eerste marxistische partij in Frankrijk werd gebruikt.
De aanhangers van Bakoenin, in casu Kropotkin en zijn geestverwanten,
begonnen zich in die tijd ‘anarcho-communisten’ te noemen.
Voor marxisten werd de term ‘sociaal-democraat’ gebruikelijk, terwijl de Russiche
revolutionaire sociaal-democraten zich na de Russische Revolutie weer met het
woord ‘communisten’ zouden aanduiden.
Al deze verschillende terminologieën komen voort uit specifieke opvattingen over
organisatie, tactiek en soms ook doelstelling. De ermee aangeduide stromingen
kunnen echter op grond van bepaalde gemeenschappelijke uitgangspunten alle
onder de algemene noemer van "De Socialisten" worden samengevat.

"Godfried Quack", schreef Jan Rogier, "is een van de vele belangrijke figuren uit
de negentiende eeuw die in de galerij van onze vaderlandse geschiedenis geen
plaats meer bekleden. Het schema van de negentiende eeuw is blijkbaar voor
lange jaren vastgelegd en er is geen hokje te vinden waarin hij passen zou."
Want hoe moeten we hem klasseren ?
Als liberaal, conservatief of socialist ?
Was hij literator, jurist, econoom, historicus, zakenman, of journalist ?
Aan deze man, zo beroemd in het Nederland van zijn dagen dat druk op druk van
de persen kwam van zijn grote zesdelige werk over "De Socialisten", heeft zich
het noodlot voltrokken van de onmacht der historici. Zijn veelzijdigheid heeft niet
zijn eigen kracht verlamd, maar wel die van de nakomelingen, op wie de taak
rust
te recht te doen aan zijn grote betekenis.
Zij wisten geen raad met hem en niemand onder hen kon voluit bewonderaar of
zelfs kenner van zijn werk en zijn leven genoemd worden.
9
"De Socialisten" is nooit vertaald.
In 1900 stelde Victor Dave
10 Quack voor het (toen vier delige) werk in het Frans
uit te geven. Het antwoord van Quack was enigszins gereserveerd: een herziening
voor een nieuwe druk in zes delen was nog niet gereed, en er bestond 'een comité
van Brussels jonge krachten, onder leiding van de heer Huysmans’, dat zich ook
met een vertaling wilde belasten. Maar zijn grote bezwaar was dat het boek zijns
inziens enigzins ongeschikt was voor het buitenland, omdat het "was opgesteld
met het doel om de bezittende klassen in Holland bekend te maken met de stel-
sels en personen der socialisten."
11
Twee jaar later wogen de opgesomde bezwaren blijkbaar niet meer zo zwaar, daar
Quack op 22 september 1902 aan Domela Nieuwenhuis schreef: "Een Belgisch
uitgever, de heer Lebèque te Brussel, heeft mij verzocht mijn boek in ’t Frans uit
te geven, en deze winter wenst hij aan het drukken te beginnen.
12
Ook elders in het buitenland trok het werk de aandacht. Het werd in 1914 in het
beroemde "Grünberg-Archiv" geprezen als de meest uitvoerige en volledige uiteen-
zetting van de socialistische ideeën door een historicus die als geen ander de
bronnen beheerst waarop zijn werk gebaseerd is, en een verbluffende kennis van
de literatuur ten toon spreidt. Dat er uiteindelijk toch nooit een vertaling van ver-
scheen, zal gelegen hebben aan de omvang en het feit dat het in het Nederlands
was geschreven.
Terecht kon Quack twintig jaar nadat hij met zijn werk was begonnen, stellen dat
een objectieve beschrijving van de socialisten iets nieuws was. Het resultaat was
niet alleen het meest objectieve, maar ook het meest gedetailleerde overzicht dat
er op dat ogenblik - en niet alleen in Nederland - was verschenen, en het is nu, na
honderd jaar, nog steeds het standaardwerk dat het een eeuw geleden was.
De belangstelling voor zijn werk is indertijd groot geweest en het zou interessant
zijn een sociologische studie te maken van de invloed die "De Socialisten" in
Nederland gehad heeft.
Het is bekend hoe tallozen in het eerste kwart van deze eeuw hun kennis en
inspiratie uit dit boek hebben geput, en daartoe behoorden zowel sociaal-demo-
craten als christen-socialisten: "Wij lazen en herlazen Quack", schreef Bart de
Ligt eens. Of Quack bereikt heeft wat hij beoogde, de Nederlandse bourgeoisie
meer sociale opvattingen bij te brengen en meer gemeenschapszin, valt te
betwijfelen.
Niet betwijfeld kan worden, dat op het ogenblik de lezing van "De Socialisten"
van nut kan zijn voor socialisten.

LITERATUUR

J. Saks, "Socialistische opstellen", Rotterdan 1918, p. 75-165. Oorspronkelijk
verschenen in "De Socialistische Gids", Amsterdam, jrg. 2, nr. 3-7/8
(maart-juli/aug. 1917).
B.H. Pekelharing, "Mr. H.P.G. Quack en zijn standaardwerk", in "Vragen der
Tijds", Haarlem, jrg. 38, nr. 1 (oktober 1911).
P.J. Bouman, "Uit het levenswerk van H.P.G. Quack", Amsterdam 1955.
J. Barents, "H.P.G. Quack, "Zijn leven en werk", Assen 1959.
Bart van Heerikhuizen, "Sociologie in het werk van Quack", in "Amsterdams
Sociologisch Tijdschrift", jrg. 3, nr. 1 en 3 (mei en december 1976).
Jan Rogier, "De vriend van armen en rijken", inleiding bij "Herinneringen". ‘Uit de
levensjaren van Mr. H.P.G. Quack, 1834-1914, Nijmegen 1977, 23 p.
                                                                                                                    
.
NOTEN 

1. Vgl. J. Saks, "Socialistische opstellen", Rotterdam 1918, p. 79  (oorspronkelijk
verschenen in "De Socialistische Gids" in 1917); en Fr. de Jong Edz., "J. Saks,
literator en marxist" ‘Een politieke biografie", Nijmegen 1977 (1ste dr. 1954), p.
215. De omvangrijke studie die Saks aan Quack heeft gewijd, is zeker intelligent,
maar vormt tegelijkertijd een schoolvoorbeeld van de beperktheid van een histo-
risch-materialistische beschouwingswijze.
2. Ferdinand Domela Nieuwenhuis-archief, IISG.
3.  Op een vraag van Domela Nieuwenhuis naar het honorarium dat hij voor "De
Socialisten" had ontvangen, antwoordde Quack dat hij van de uitgever Van
Kampen "voor de eerste druk 20 à 25 gulden per vel mocht berekenen. Voor de
tweede druk kreeg ik een vaste som voor hem die de correctie en het register be-
zorgde (de heer J. de Hoop Scheffer), welke som duizend gulden bedroeg: voorts
kreeg ik twee gulden voor elk volledig exemplaar van de zes delen, dat boven de
800 exemplaren – op welke inkomsten uitsluitend door de uitgever werd beslag
gelegd - werd verkocht. Gij ziet, het was een plutocratisch contract, maar ik
wenste het boek goedkoop in de handel te brengen." (Brief van 10 januari 1910,
Ferdinand Domela Nieuwenhuis-archief, IISG).
4. Als aanhangsel verscheen een volledige vertaling van Hodgskins "Labour defen-
ded" getiteld: "Arbeid verdedigd tegenover de eischen van het Kapitaal of De im-
productiviteit van het Kapitaal aangetoond, met verwijzing naar de hedendaagse
vereenigingen onder arbeiders, door een Werkman." Deze vertaling, van de hand
van J. de Hoop Scheffer, is niet opgenomen in de derde druk van het vierde deel.
5. Zo wordt de in 1873 tegen Bakoenin gepubliceerde brochure "L’Alliance de la
Démocratie socialiste et l’Association internationale des Travailleurs" nog veelvul-
dig als een betrouwbaar, feitelijk relaas beschouwd, hoewel de onhoudbaarheid
van vele daarin geformuleerde beschuldigingen sinds het begin van deze eeuw
vaststaat.
6. Saks heeft over deze bloemrijke stijl nogal ironische opmerkingen gemaakt, die
echter wat grappig aandoen daar zijn eigen stijl in dit opzicht veelal niet voor die
van Quack onderdoet.
7. In het zesde deel van deze herdruk is een aanvullende literatuurlijst opgenomen
8. Toen Quack bijvoorbeeld "Revolution and Counterrevolution" aan Marx toe-
schreef, kon hij bezwaarlijk weten dat deze artikelenreeks uit de "New York Daily
Tribune" in feite door Engels was geschreven. Dit werd pas in 1913 bekend, hoe-
wel een vierde druk uit 1919 (met een voorwoord van Karl Kautsky) Marx nog als
auteur noemt.
9. "De Volkskrant", 9 juni 1960.
10. Victor Dave (1846-1922) was lid van de Eerste Internationale in België, die hij
in 1872 vertegenwoordigde op het Congres van Den Haag, waar ook Quack aan-
wezig was. Hij behoorde tot het anarchistische milieu van Kropotkin en had vele
internationale contacten.
11. Brief van Quack aan Dave, 20 mei 1900, in "Mededelingenblad Sociaalhistori-
sche Studiekring", december 1955.
12. Ferdinand Domela Nieuwenhuis-archief, IISG.

-------------------------------------------------------------------------------------------
met dank aan http://squat.net/eurodusnie/A-artikelen/quack.htm (exit)
-

 
                                                                                                      ^
   .